| Bestand |
KST57891
|
| Inhoudsindicatie | Minister De Vries (BZK) gaat in op vragen en opmerkingen uit het voorlopig verslag (kamerstuk 27827, nr. 93a). |
| Rubriek(en) |
Sociale zekerheid Staats- en bestuursrecht Inkomen en rechtspositie |
| Dossier | 27827 nr. 93b |
| Vindplaats | Kamerstuk 2001-2002, 27827, nr. 93b, Eerste Kamer |
| Afkomstig van |
|
| Ligt ter inzage bij | Het besluit van de staatssecretaris van Financiën van 10 april 2001 is ter inzage gelegd op he Centraal informatiepunt Tweede Kamer onder griffienummer 127829.1. |
| Publicatiedatum | 13-12-2001 |
| Datum vaststelling | 06-12-2001 |
| Document-id | KST57891 |
| Omvang | 4 |
| Inhoud |
27 827 Wijziging van de Wet schadeloosstelling leden Tweede Kamer en de Wet vergoedingen leden Eerste Kamer alsmede een regeling voor diverse politieke ambtsdragers met betrekking tot geheven Waz-premie (aanpassing onkostenvergoedingen en compensatie Waz-premie) MEMORIE VAN ANTWOORD Ontvangen 6 december 2001 De leden van de PvdA-fractie willen wij bedanken voor hun inbreng. Zij hadden kennis genomen van het wetsvoorstel dat onder meer beoogt de onkostenvergoedingen van Kamerleden aan te passen in verband met de belastingwetgeving. Zij betreurden het dat het wetsvoorstel hen zo laat had bereikt. Zeker voor diegenen die kiezen voor het zogenaamd fictief ondernemerschap – en dus niet voor gebruteerde onkostenvergoedingen – zou de late realisatie een bijna onmogelijke belasting zijn. De omstan- digheid dat de regelgeving voor veel leden onbekend was gebleven, zou voor deze leden aanleiding zijn geweest voor het niet bewaren van bonnen dan wel tot het voeren van een administratie op de tot dan gebruikelijke wijze. De fiscale regelgeving waarbij de leden voor hun inkomsten en vergoe- dingen uit het Kamerlidmaatschap vanaf 1 januari 2001 niet langer onder het regime van de zogenoemde andere inkomsten uit arbeid (artikel 22, eerste lid, onderdeel b, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964) vielen, maar onder het regime van het resultaat uit een werkzaamheid zijn gebracht (artikel 3.90 en volgende van de Wet inkomstenbelasting 2001) is bij de Wet van 11 mei 2000, Stb. 215, tot stand gekomen. De mogelijkheid om te opteren voor toepassing van het loonbelastingregime is per 1 januari 2001 door een aanpassing in de Wet op de loonbelasting 1964 uitgebreid, waardoor ook leden van de Eerste Kamer van deze mogelijkheid gebruik konden gaan maken. Met deze wettelijke regelingen is voor 1 januari 2001 helderheid gekomen over de belastingheffing van genoemde inkomsten. Wel is het zo dat met dit wetsvoorstel eerst nu een aanpassing van het kostenvergoedingensysteem tot stand komt. D |