Handeling 2009-2010 HAN8522A09
Handeling 2009-2010 HAN8522A02
Handeling 2009-2010 HAN8522A11
Kamerstuk 2009-2010 KST138659
Kamerstuk 2009-2010 KST138657
Kamerstuk 2009-2010 KST138537
Kamerstuk 2009-2010 KST138383
Kamerstuk 2009-2010 KST137961
Handeling 2009-2010 HAN8506A07
Handeling 2009-2010 HAN8506N
Handeling 2009-2010 HAN8505A05
Agenda 2009-2010 OVG1599
Kamerstuk 2009-2010 KST136841
Kamerstuk 2009-2010 KST136614
Kamerstuk 2009-2010 KST136572
Kamerstuk 2009-2010 KST136333
amendement 31930, 75 (voorheen 50), over het instellen van een onderzoek of artikel 25, derde lid, van de Invorderingswet 1990 een alternatief biedt voor het door het lid Van Dijck ingediende amendement op stuk nr. 50 over verkrijging blote eigendom van eigen woning en uitstel van betaling.
Kamerstuk 2009-2010 KST136424Kamerstuk 2009-2010 KST136303
Kamerstuk 2009-2010 KST136389
Kamerstuk 2009-2010 KST136258
Kamerstuk 2009-2010 KST136270
Kamerstuk 2009-2010 KST136260
Kamerstuk 2009-2010 KST136272
Kamerstuk 2009-2010 KST136302
Kamerstuk 2009-2010 KST136273
Kamerstuk 2009-2010 KST136257
Kamerstuk 2009-2010 KST136259
Kamerstuk 2009-2010 KST136271
Kamerstuk 2009-2010 KST136237
Kamerstuk 2009-2010 KST136239
Kamerstuk 2009-2010 KST136241
Kamerstuk 2009-2010 KST136236
Kamerstuk 2009-2010 KST136238
Kamerstuk 2009-2010 KST136240
Wijziging in verband met een wetstechnische aanpassing.
Kamerstuk 2009-2010 KST136189Indiener stelt voor dit te bewerkstelligen door ouders wel in tariefgroep 2 te laten vallen, maar een vrijstelling van 45.000,- euro te verlenen.
Kamerstuk 2009-2010 KST136193Kamerstuk 2009-2010 KST136195
Kamerstuk 2009-2010 KST136190
Bij de toelichting op het amendement is een aantal voorbeelden opgenomen.
Kamerstuk 2009-2010 KST136197Kamerstuk 2009-2010 KST136192
Kamerstuk 2009-2010 KST136194
In deze brief geeft staatssecretaris De Jager (Fin) een beoordeling van de amendementen, ingediend bij de behandeling van de wijziging van de Successiewet 1956. Het gaat om de amendementen 31930, de nrs. 39, 41 t/m 47 en 489 t/m 59. De staatssecretaris gaat per amendement in op de strekking van het amendement, de budgettaire gevolgen en zijn standpunt inzake het betreffende amendement.
Kamerstuk 2009-2010 KST136184Kamerstuk 2009-2010 KST136196
Kamerstuk 2009-2010 KST136191
Agenda 2009-2010 OVG1594
Kamerstuk 2009-2010 KST136120
Kamerstuk 2009-2010 KST136107
Kamerstuk 2009-2010 KST136080
Kamerstuk 2009-2010 KST136112
Kamerstuk 2009-2010 KST136085
Kamerstuk 2009-2010 KST136077
Kamerstuk 2009-2010 KST136123
Kamerstuk 2009-2010 KST136106
Kamerstuk 2009-2010 KST136079
Kamerstuk 2009-2010 KST136108
Kamerstuk 2009-2010 KST136084
Kamerstuk 2009-2010 KST136122
Deze nota van wijziging bevat wijzigingen die voortvloeien uit het wetgevingsoverleg alsmede uit een overleg dat is gevoerd met de Koninklijke Notariële Beroepsorganisatie (KNB) naar aanleiding van haar brief d.d. 13 oktober 2009.
Kamerstuk 2009-2010 KST136104Kamerstuk 2009-2010 KST136078
Agenda 2009-2010 OVG1590
Kamerstuk 2009-2010 KST135819
maatregelen met financiële consequenties na indiening van het wetsvoorstel. Bijlage 2 bij de brief geeft een overzicht van de voor- en nadelen van verschillende toerekeningsvarianten na het overlijden van de inbrenger.
Kamerstuk 2009-2010 KST135802Kamerstuk 2009-2010 KST135807
Bijlage BLG21493
Bijlage BLG21453
Bijlage BLG21457
Bijlage BLG21450
Bijlage BLG21456
Bijlage BLG21461
Kamerstuk 2009-2010 KST135788
Bijlage BLG21460
Bijlage BLG21459
Bijlage BLG21452
Bijlage BLG21455
Bijlage BLG21451
Kamerstuk 2009-2010 KST135703
Bijlage BLG21458
Bijlage BLG21454
sociaal belang behartigende instellingen (SBBI) en Algemeen nut beogende instellingen (ANBI).
Kamerstuk 2009-2010 KST135692In deze brief wordt de vraag van de Tweede Kamer beantwoord: de vraag is of de in het wetsvoorstel opgenomen toerekeningsfictie voor vermogen en inkomsten van een afgezonderd particulier vermogen (aan de inbrenger of erfgenaam) er mogelijk toe leidt dat sprake is van een eenzijdige wijziging van heffingsbevoegdheden zoals die door Nederland met zijn verdragspartners zijn afgesproken, en of er dus sprake is van strijdigheid met de goede trouw die tussen verdragspartners geldt (de artikelen 26, 27, 31 t/m 33 van het Verdrag van Wenen inzake het verdragenrecht). Deze vraag is met name van belang voor de toepassing van verdragen ter voorkoming van dubbele belasting met landen waar een dusdanige belastingheffing plaatsvindt over in het wetsvoorstel bedoelde afgezonderde vermogens dat de in dat wetsvoorstel opgenomen Nederlandse belastingheffing aan de orde kan zijn.
Kamerstuk 2009-2010 KST135558In onderhavige brief gaat staatssecretaris De Jager (Fin) nader in op het in de heffing betrekken van afgezonderde particuliere vermogens (APV's) en de verdragsrechtelijke aspecten daarvan, in aanvulling op het besprokene tijdens de vertrouwelijke technische briefing aan de vaste commissie voor Financiën die op 1 oktober 2009 heeft plaatsgevonden. De Jager reageert in de brief eveneens op de vraagtekens die enkele externe sprekers hebben geplaatst in het rondetafelgesprek dat heeft plaatsgevonden op 23 september 2009 (kamerstuk 31 930, nr. 17), te weten over: a) het realiteitsgehalte van de geraamde opbrengst (solide budgettaire dekking) en b) de vraag of belastingverdragen niet in de weg staan aan het realiseren van de geraamde opbrengst.
Kamerstuk 2009-2010 KST135538Kamerstuk 2009-2010 KST135520
Kamerstuk 2009-2010 KST135522
Kamerstuk 2009-2010 KST135476
Kamerstuk 2009-2010 KST135527
Kamerstuk 2009-2010 KST135519
Kamerstuk 2009-2010 KST135521
Kamerstuk 2009-2010 KST135523
Kamerstuk 2009-2010 KST135477
Kamerstuk 2009-2010 KST135460
Kamerstuk 2009-2010 KST135450
Kamerstuk 2009-2010 KST135448
Kamerstuk 2009-2010 KST135446
Kamerstuk 2009-2010 KST135451
Kamerstuk 2009-2010 KST135461
Kamerstuk 2009-2010 KST135449
Kamerstuk 2009-2010 KST135447
Kamerstuk 2009-2010 KST135370
Agenda 2009-2010 OVG1588
bedrijfsopvolgingsregeling.
Kamerstuk 2009-2010 KST135196De brief met het verzoek van de vaste kamercommissie is als bijlage bijgevoegd.
Kamerstuk 2009-2010 KST135166Agenda 2009-2010 OVG1585
Agenda 2009-2010 OVG1583
Agenda 2009-2010 OVG1580
Kamerstuk 2009-2010 KST134659
Herdruk in verband met een correctie in de aanhef. Het oorspronkelijke volgnummer 12 is niet meer in de database opgenomen.
Kamerstuk 2008-2009 KST134522Herdruk in verband met een correctie in de aanhef. Het oorspronkelijke volgnummer 12 is niet meer in de database opgenomen.
Kamerstuk 2008-2009 KST134522Kamerstuk 2008-2009 KST134374
Agenda 2008-2009 OVG1578
Kamerstuk 2008-2009 KST134371
Kamerstuk 2008-2009 KST134078
Kamerstuk 2008-2009 KST134077
welke gevolgen van de herziening van dit regime voor enkele groepen ANBI's, in het bijzonder scoutinggroepen, heeft.
Kamerstuk 2008-2009 KST133668Kamerstuk 2008-2009 KST133485
Kamerstuk 2008-2009 KST131241
Kamerstuk 2008-2009 KST130208
Maatschappelijk en politiek is er in toenemende mate kritiek op de belastingen op erfenissen en schenkingen. Die kritiek richt zich in hoofdzaak op de hoogte van de tarieven en de ingewikkeldheid van de regelgeving. Deze kritiek is één van de elementen die hebben geleid tot het voornemen van het kabinet de Successiewet 1956 te moderniseren. Met dit wetsvoorstel wordt de Successiewet 1956 op verschillende onderdelen vereenvoudigd. Dat betreft in de eerste plaats het aantal tarieven en de systematiek van de vrijstellingen. Ook de opzet van de bedrijfsopvolgingsregeling wordt overzichtelijker door de desbetreffende bepalingen bij elkaar te plaatsen en ook een tekstuele vereenvoudigingsslag te maken. Het partnerbegrip wordt in een apart wetsartikel gedefinieerd en zal niet alleen bij toepassing van tarief en vrijstellingen, maar ook voor de toepassing van de fictiebepalingen van belang zijn. Overigens wordt ook bij de wijziging van de fictiebepalingen, die worden aangepast om een einde te maken aan de uitholling van de grondslag, een tekstuele vereenvoudiging nagestreefd. Een verdere vereenvoudiging is het voorstel om uit de Successiewet 1956 een aantal bepalingen te schrappen die, omdat zij uitgewerkt zijn of overigens hun belang hebben verloren, overbodig zijn geworden. Signalen uit de Belastingdienst, maar ook uit andere EU-landen en daarbuiten maken duidelijk dat particuliere vermogens in toenemende mate worden afgezonderd om belastingheffing te ontgaan. Het instellen van een afgezonderd particulier vermogen is op zichzelf geoorloofd voor bundeling en bescherming van (familie)vermogen. Maar een afgezonderd particulier vermogen behoort geen heffingsvacuüm op te leveren waardoor de Nederlandse heffingsgrondslag wordt uitgehold. Met de in het onderhavige wetsvoorstel voorgestelde regeling voor afgezonderde particuliere vermogens wordt beoogd de Belastingdienst toereikende middelen te geven om de constructies in de uitvoeringssfeer effectief te bestrijden. Ook wordt daarmee gehoor gegeven aan de wens uit de praktijk om de fiscale behandeling van afgezonderde particuliere vermogens wettelijk goed te regelen.
Kamerstuk 2008-2009 KST130210Maatschappelijk en politiek is er in toenemende mate kritiek op de belastingen op erfenissen en schenkingen. Die kritiek richt zich in hoofdzaak op de hoogte van de tarieven en de ingewikkeldheid van de regelgeving. Deze kritiek is één van de elementen die hebben geleid tot het voornemen van het kabinet de Successiewet 1956 te moderniseren. Met dit wetsvoorstel wordt de Successiewet 1956 op verschillende onderdelen vereenvoudigd. Dat betreft in de eerste plaats het aantal tarieven en de systematiek van de vrijstellingen. Ook de opzet van de bedrijfsopvolgingsregeling wordt overzichtelijker door de desbetreffende bepalingen bij elkaar te plaatsen en ook een tekstuele vereenvoudigingsslag te maken. Het partnerbegrip wordt in een apart wetsartikel gedefinieerd en zal niet alleen bij toepassing van tarief en vrijstellingen, maar ook voor de toepassing van de fictiebepalingen van belang zijn. Overigens wordt ook bij de wijziging van de fictiebepalingen, die worden aangepast om een einde te maken aan de uitholling van de grondslag, een tekstuele vereenvoudiging nagestreefd. Een verdere vereenvoudiging is het voorstel om uit de Successiewet 1956 een aantal bepalingen te schrappen die, omdat zij uitgewerkt zijn of overigens hun belang hebben verloren, overbodig zijn geworden. Signalen uit de Belastingdienst, maar ook uit andere EU-landen en daarbuiten maken duidelijk dat particuliere vermogens in toenemende mate worden afgezonderd om belastingheffing te ontgaan. Het instellen van een afgezonderd particulier vermogen is op zichzelf geoorloofd voor bundeling en bescherming van (familie)vermogen. Maar een afgezonderd particulier vermogen behoort geen heffingsvacuüm op te leveren waardoor de Nederlandse heffingsgrondslag wordt uitgehold. Met de in het onderhavige wetsvoorstel voorgestelde regeling voor afgezonderde particuliere vermogens wordt beoogd de Belastingdienst toereikende middelen te geven om de constructies in de uitvoeringssfeer effectief te bestrijden. Ook wordt daarmee gehoor gegeven aan de wens uit de praktijk om de fiscale behandeling van afgezonderde particuliere vermogens wettelijk goed te regelen.
Kamerstuk 2008-2009 KST130209Kamerstuk 2008-2009 KST130212