Laatste documenten binnen dossier 26675


04-10-2001

KST55692 Regeling van het conflictenrecht inzake de familierechtelijke betrekkingen uit hoofde van afstamming (Wet conflictenrecht afstamming); Nota van wijziging

De wijzigingen betreffen onder meer de vereisten van 'gewone verblijfplaats' van de man en de vrouw, (al dan niet) instemming van de (ex-)echtgenoot, alsmede de situatie dat de moeder op bepaald moment overlijdt.

Kamerstuk 2001-2002 KST55692

KST55693 Regeling van het conflictenrecht inzake de familierechtelijke betrekkingen uit hoofde van afstamming (Wet conflictenrecht afstamming); Nota n.a.v. het verslag

Minister Korthals (Jus) gaat in op vragen en opmerkingen uit het verslag.

Kamerstuk 2001-2002 KST55693

22-07-1999

KST36462 Regeling van het conflictenrecht inzake de familierechtelijke betrekkingen uit hoofde van afstamming (Wet conflictenrecht afstamming); Advies en nader rapport

Kamerstuk 1998-1999 KST36462

KST36459 Regeling van het conflictenrecht inzake de familierechtelijke betrekkingen uit hoofde van afstamming (Wet conflictenrecht afstamming); Voorstel van wet

Dit wetsvoorstel voorziet in de codificatie van het onderdeel afstammingsrecht van het internationaal privaatrecht. Aanleiding vormen het ontbreken van voldoende jurisprudentie en (actuele) wettelijke bepalingen op dit gebied. Zo is de betekenins van artikel 6A van de Wet Algemene Bepalingen (dat het nationaliteitsbeginsel in het internationale privaatrecht belichaamt) veroudert. Het vanouds aanvaarde beginsel van de toepasselijkheid van het nationale recht, waarbij de keuze valt op het nationale recht van de man indien zijn vrouw een andere nationaliteit heeft, heeft aan geldingskracht ingeboet. Daarnaast heeft het opzeggen van een aantal op het nationaliteitsbeginsel gebaseerde oude Haagse verdragen, de rechtsonzekerheid vergroot. Onderhavig wetsvoorstel sluit aan bij de inmiddels tot stand gekomen vernieuwing van het Nederlandse afstammingsrecht (zie Stb. 1997, Stb. 772). Bovendien wordt aangesloten bij datgene waarover internationaal een zekere mate van consensus bestaat. Aangezien men ervan uitgaat dat natuurlijke personen zich sterk verbonden voelen met het land waarvan zij de nationaliteit bezitten, gaat het wetsvoorstel in beginsel uit van de toepasselijkheid van het nationale recht. De gewone verblijfplaats krijgt pas betekenis in de gevallen dat de nationaliteit geen bevredigende oplossing biedt. Het gaat in het afstammingsrecht om rechtsverhoudingen waarbij meer dan een partij betrokken is. Daarom streeft het wetsvoorstel naar een voor partijen gemeenschappelijke orientatie. Dat is met name het geval bij de afstamming van gehuwde ouders. Bij de afstamming van de ongehuwde moeder is het uitgangspunt dat haar nationale recht (en meestal ook die van het kind) de afstamming beheerst. Bij de erkenning is er een verdeling: het nationale recht van de man beheerst in beginsel de voorwaarden en de bevoegdheid, het nationale recht van de vrouw, cq. van het kind de vraag of hun toestemming vereist is en onder welke voorwaarden die kan worden gegeven en eventueel vervangen door een rechterlijke beslissing. Bij de gerechtelijke vaststelling van het vaderschap wordt weer het gemeenschappelijke recht van de drie betrokken partijen toegepast.

Kamerstuk 1998-1999 KST36459

KST36461 Regeling van het conflictenrecht inzake de familierechtelijke betrekkingen uit hoofde van afstamming (Wet conflictenrecht afstamming); Oorspronkelijke tekst

Kamerstuk 1998-1999 KST36461

KST36460 Regeling van het conflictenrecht inzake de familierechtelijke betrekkingen uit hoofde van afstamming (Wet conflictenrecht afstamming); Memorie van toelichting

Dit wetsvoorstel voorziet in de codificatie van het onderdeel afstammingsrecht van het internationaal privaatrecht. Aanleiding vormen het ontbreken van voldoende jurisprudentie en (actuele) wettelijke bepalingen op dit gebied. Zo is de betekenins van artikel 6A van de Wet Algemene Bepalingen (dat het nationaliteitsbeginsel in het internationale privaatrecht belichaamt) veroudert. Het vanouds aanvaarde beginsel van de toepasselijkheid van het nationale recht, waarbij de keuze valt op het nationale recht van de man indien zijn vrouw een andere nationaliteit heeft, heeft aan geldingskracht ingeboet. Daarnaast heeft het opzeggen van een aantal op het nationaliteitsbeginsel gebaseerde oude Haagse verdragen, de rechtsonzekerheid vergroot. Onderhavig wetsvoorstel sluit aan bij de inmiddels tot stand gekomen vernieuwing van het Nederlandse afstammingsrecht (zie Stb. 1997, Stb. 772). Bovendien wordt aangesloten bij datgene waarover internationaal een zekere mate van consensus bestaat. Aangezien men ervan uitgaat dat natuurlijke personen zich sterk verbonden voelen met het land waarvan zij de nationaliteit bezitten, gaat het wetsvoorstel in beginsel uit van de toepasselijkheid van het nationale recht. De gewone verblijfplaats krijgt pas betekenis in de gevallen dat de nationaliteit geen bevredigende oplossing biedt. Het gaat in het afstammingsrecht om rechtsverhoudingen waarbij meer dan een partij betrokken is. Daarom streeft het wetsvoorstel naar een voor partijen gemeenschappelijke orientatie. Dat is met name het geval bij de afstamming van gehuwde ouders. Bij de afstamming van de ongehuwde moeder is het uitgangspunt dat haar nationale recht (en meestal ook die van het kind) de afstamming beheerst. Bij de erkenning is er een verdeling: het nationale recht van de man beheerst in beginsel de voorwaarden en de bevoegdheid, het nationale recht van de vrouw, cq. van het kind de vraag of hun toestemming vereist is en onder welke voorwaarden die kan worden gegeven en eventueel vervangen door een rechterlijke beslissing. Bij de gerechtelijke vaststelling van het vaderschap wordt weer het gemeenschappelijke recht van de drie betrokken partijen toegepast.

Kamerstuk 1998-1999 KST36460