| Bestand |
KST123669
|
| Inhoudsindicatie | gevolgen voor het bestuur. |
| Rubriek(en) |
Staats- en bestuursrecht |
| Dossier | 31751 nr. 3 |
| Vindplaats | Kamerstuk 2008-2009, 31751, nr. 3, Tweede Kamer |
| Afkomstig van |
|
| Publicatiedatum | 07-11-2008 |
| Datum vaststelling | 24-10-2008 |
| Document-id | KST123669 |
| Omvang | 9 |
| Inhoud |
31 751 Wijziging van de Algemene wet bestuursrecht, de Wet openbaarheid van bestuur en enkele andere wetten in verband met de inwerkingtreding van de Wet dwangsom en beroep bij niet tijdig beslissen Nr. 3 MEMORIE VAN TOELICHTING 1. Inleiding Op 20 november 2007 is het initiatiefvoorstel-Wolfsen/Luchtenveld tot aanvulling van de Algemene wet bestuursrecht met doeltreffendere rechtsmiddelen tegen niet tijdig beslissen door bestuursorganen (Wet dwangsom en beroep bij niet tijdig beslissen) (Kamerstukken I 2005/06, 29 934, A) door de Eerste Kamer aangenomen. Op grond van dat wets- voorstel (hierna verder aan te duiden als: de Wet dwangsom) verbeuren bestuursorganen na ingebrekestelling van de aanvrager een dwangsom indien zij beslistermijnen overschrijden. De Wet dwangsom gaat ervan uit dat bestuursorganen die hun organi- satie goed op orde hebben, de in de wet geregelde beslistermijnen in alle gevallen moeten kunnen halen. Uit een eerste snelle inventarisatie, die het kabinet na aanvaarding van het wetsvoorstel door de Eerste Kamer onder de departementen heeft laten verrichten, blijkt dat bij de meeste beslistermijnen geen grote problemen zijn te verwachten. Uit de snelle inventarisatie kwam naar voren dat dit in twee gevallen echter anders ligt, namelijk bij de termijn om te beslissen op een bezwaar- schrift krachtens de Algemene wet bestuursrecht (artikel 7:10 van de Awb), en bij de termijn om te beslissen op een verzoek om informatie krachtens de Wet openbaarheid van bestuur (artikel 6 van de Wob). Deze termijnen worden in zeer brede kring ervaren als te krap en te uniform. In de praktijk worden deze termijnen in een groot aantal gevallen niet gehaald, terwijl organisatorische maatregelen lang niet altijd een oplos- sing bieden. Het vorenstaande vormde de grond voor de brief van de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 6 maart 2008 (Kamer- stukken II, 2007/08, 29 934, nr. 24). Daarin is bericht dat de Koningin eerst wordt verzocht de Wet dwangso |