| Bestand |
KST33896
|
| Inhoudsindicatie | Dit wetsvoorstel voorziet in implementatie van richtlijn nr. 95/46/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Gemeenschappen van 23 november 1995 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens (PbEG L 281). Wetsvoorstel 25892 regelt de implementatie van genoemde richtlijn in de nieuwe Wet bescherming persoonsgegevens (vervanging van de bestaande Wet persoonsregistraties); het onderhavige wetsvoorstel regelt de implementatie van genoemde richtlijn in de overige Nederlandse wetgeving. In plaats van het opslaan van persoonsgegevens in een persoonsregistratie geldt voortaan als uitgangspunt van bescherming het verwerken van persoonsgegevens. Verder moeten persoonsgegevens voor welbepaalde, uitdrukkelijk omschreven en gerechtvaardigde doeleinden worden verkregen en mag - mits passende waarborgen worden geboden - om redenen van zwaarwegend algemeen belang bij nationale wet worden afgeweken van het verbod gevoelige gegevens te verwerken. Ook is in de richtlijn gekozen voor een nadere normering van de algemene voorwaarden voor de rechtmatigheid van de verwerking van persoonsgegevens. Daarnaast is aanpassing van een aantal wetten noodzakelijk in verband met de beoogde vervanging van de Wet persoonsregistraties door de Wet bescherming persoonsgegevens. De onderhavige wet treedt in werking op hetzelfde tijdstip als de Wet bescherming persoonsgegevens. |
| Rubriek(en) |
Staats- en bestuursrecht Criminaliteit en openbare orde |
| Dossier | 26410 nr. 3 |
| Vindplaats | Kamerstuk 1998-1999, 26410, nr. 3, Tweede Kamer |
| Afkomstig van |
|
| Publicatiedatum | 10-03-1999 |
| Datum vaststelling | 20-02-1999 |
| Document-id | KST33896 |
| Omvang | 61 |
| Inhoud |
26 410 Wijziging van bepalingen met betrekking tot de verwerking van persoonsgegevens Nr. 3 MEMORIE VAN TOELICHTING Algemeen Op 24 oktober 1995 kwam de richtlijn betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoons- gegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens (hierna: de richtlijn) tot stand door de gezamenlijke ondertekening door de voorzitters van het Europees Parlement en de Raad van Ministers. Hij werd gepubli- ceerd op 23 november 1995 (PbEG L 281, blz. 31). De implementatie- termijn loopt af op 24 oktober 1998. Voor de achtergrond en inhoud van de richtlijn wordt hier verwezen naar het algemeen deel van de memorie van toelichting bij de Wet bescherming persoonsgegevens (hierna: de Wbp). De totstandkoming van richtlijn heeft belangrijke gevolgen voor het Nederlandse privacyrecht. De meest in het oog springende consequentie van de implementatie van de richtlijn in de Nederlandse wetgeving is de vervanging van de bestaande Wet persoonsregistraties (Wpr) door de Wbp. Evenals de Wpr geeft ook de Wbp als algemene privacywet (mede) uitvoering aan artikel 10, tweede en derde lid, van de Grondwet, waarin aan de formele wetgever de opdracht wordt gegeven om regels te stellen omtrent de bescherming van persoonsgegevens. Het voorstel voor een Wbp is op 14 februari 1998 bij de Tweede Kamer ingediend. Het onderhavige voorstel strekt tot de implementatie van de richtlijn in de overige Nederlandse wetgeving die binnen het bereik van deze richtlijn valt. Binnen het kader van artikel 3 van de richtlijn is gekeken naar nationale wettelijke voorschriften met betrekking tot het verwerken van persoonsgegevens die eveneens moeten worden aangepast. Deze aanpassingen zijn noodzakelijk door onder meer de verruiming van het regelgevingsobject van de richtlijn: in plaats van het opslaan van persoonsgegevens in een persoonsregistratie geldt nu als uitgangspunt van bescherming het verwerken van persoonsgegevens. Ook het voorschrift va |