| Bestand |
KST33898
|
| Rubriek(en) |
Staats- en bestuursrecht Criminaliteit en openbare orde |
| Dossier | 26410 nr. B |
| Vindplaats | Kamerstuk 1998-1999, 26410, nr. B, Tweede Kamer |
| Afkomstig van |
|
| Publicatiedatum | 10-03-1999 |
| Datum vaststelling | 20-02-1999 |
| Document-id | KST33898 |
| Omvang | 6 |
| Inhoud |
26 410 Wijziging van bepalingen met betrekking tot de verwerking van persoonsgegevens B ADVIES RAAD VAN STATE EN NADER RAPPORT Hieronder zijn opgenomen het advies van de Raad van State d.d. 20 november 1998 en het nader rapport d.d. 10 februari 1999, aangeboden aan de Koningin door de minister van Justitie. Het advies van de Raad van State is cursief afgedrukt. Bij Kabinetsmissive van 28 juli 1998, no. 98.003814, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Justitie, mede namens de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken, J. Kohnstamm, bij de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het voorstel van wet met memorie van toelichting tot wijziging van bepalingen met betrekking tot de verwerking van persoons- gegevens. Blijkens de mededeling van de Directeur van Uw kabinet van 28 juli 1998, nr. 98.003814, machtigde Uwe Majesteit de Raad van State zijn advies inzake het bovenvermelde voorstel van wet rechtstreeks aan mij te doen toekomen. Dit advies, gedateerd 20 november 1998, nr. W03.98.0347, bied ik U hierbij aan. 1. In het in hoofdstuk 1 (Ministerie van Algemene Zaken) voorgestelde onderdeel d van artikel 10, eerste lid, van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) is een uitzonderingsgrond opgenomen voor de verstrekking van gevoelige persoonsgegevens, tenzij de verstrekking kennelijk geen inbreuk op de persoonlijke levenssfeer maakt. De Raad van State acht onvoldoende toegelicht waarom een specifieke afweging zoals door de richtlijn betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens (PbEG L 281) (hierna: de richtlijn) is voorgeschreven ten aanzien van gevoelige persoonsgegevens niet zou kunnen worden bewerkstelligd door aanpassing van de relatieve weigeringsgrond betreffende de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer begrepen in onderdeel e van het tweede lid van artikel 10. Niet zonder meer valt bovendien in te zien dat de in het voorgestelde onde |