| Bestand |
KST46181
|
| Rubriek(en) |
Staats- en bestuursrecht Criminaliteit en openbare orde |
| Dossier | 26410 nr. 7 |
| Vindplaats | Kamerstuk 1999-2000, 26410, nr. 7, Tweede Kamer |
| Afkomstig van |
|
| Publicatiedatum | 13-06-2000 |
| Datum vaststelling | 05-06-2000 |
| Document-id | KST46181 |
| Omvang | 21 |
| Inhoud |
26 410 Wijziging van bepalingen met betrekking tot de verwerking van persoonsgegevens Nr. 7 NOTA NAAR AANLEIDING VAN HET VERSLAG Ontvangen 5 juni 2000 1. Algemeen Met genoegen hebben wij kennis genomen van het verslag dat de commissie voor Justitie van Uw Kamer heeft uitgebracht. Het is verheu- gend te constateren dat de commissie – onder voorbehoud dat de in het verslag gestelde vragen en opmerkingen tijdig worden beantwoord – de openbare behandeling van het wetsvoorstel genoegzaam acht voorbereid. In verband met de in Richtlijn nr. 95/46 EG (hierna: de richtlijn) opge- nomen implementatietermijn is het van belang dat dit wetsvoorstel op korte termijn in werking kan treden. Met het oog daarop is getracht de vragen van de verschillende fracties zo uitvoerig en adequaat mogelijk te beantwoorden. Bij de beantwoording van de vragen is de volgorde van de hoofdstukken uit het verslag gevolgd met dien verstande dat de door de fracties over de wijzigingen van de Wet gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (hierna: GBA-wet) gestelde vragen zoveel mogelijk per onderwerp zijn behandeld. De leden van de VVD-fractie vragen welke invloed het totstandkomen van het voorliggende wetsvoorstel heeft op de implementatieverplichting van de richtlijn. Ook de leden van de CDA-fractie stellen hieromtrent vragen. Artikel 32 van de richtlijn bepaalt dat de lidstaten uiterlijk aan het einde van een termijn van drie jaar te rekenen vanaf de aanneming van deze richtlijn, de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking doen treden. Dit houdt in dat Nederland pas aan zijn implementatiever- plichting ingevolge de richtlijn heeft voldaan als alle Nederlandse wetge- ving in lijn is gebracht met de voorschriften van de richtlijn. Het is dus niet voldoende dat het voorstel voor een Wet bescherming persoonsgegevens (hierna: Wbp) tot wet is verheven, ook het nu voorliggende wetsvoorstel moet van kracht zijn geworden, evenals de aanpassing van de relevante materiële wetg |